Dreaming between Europe and the USA:
a cultural study of a hundred
years of luxury transport on board transatlantic oceanliners (1840-1940)
| Dit is de synopsis van een zeer uitgebreide studie die ik zo'n 20 jaar geleden heb gemaakt als proefschrift. Dit ben ik op nieuw gaan bewerken en u kan meekijken naar de resultaten. Ik hoop dat u er veel leesplezier aan hebt en wilt u meer weten stuur een mailtje. | This the
synopsis of a dissertation I wrote 20 years ago. Now it is time to
evaluate the contents and write a book about it.
If you want to know more about this project please send a mail |
|
Tussen
1840 en 1860 werd de transatlantische lijnvaart beheerst door
Amerikaanse en Britse rederijen en na 1860 tot ver in de jaren tachtig
eigenlijk uitsluitend door in het Verenigd Koninkrijk gevestigde
stoomvaartrederijen. Vanaf
de tweede helft van de jaren vijftig van de negentiende eeuw waren het
voornamelijk Amerikaanse reizigers, zakenlui of toeristen, die de
eerste klasse van de transatlantische passagiersschepen bevolkten.
Dat waren er aanvankelijk `slechts' enkele tienduizenden per jaar,
maar hun aantal liep op tot omstreeks honderdduizend per jaar in 1890.
Ofschoon een betaalde vakantie nog niet bestond, reisden de Amerikaanse
toeristen tussen mei en september in opmerkelijk grote aantallen van
de Nieuwe naar de Oude Wereld om een `Grand Tour' te maken, die in de
meeste gevallen in tijdsduur was gecomprimeerd tot de lengte van
een zomer. De enorme aantallen landverhuizers, eerst op het tussendek
en later weggestopt diep voor en achter in de grote schepen, waren de
kurk waarop het lijnvaartverkeer dreef, maar de welgestelde Amerikaanse
reizigers, die op zoek waren naar hun wortels, naar culturele
inspiratie, of op zakenreis waren
of om wat voor reden dan ook naar Europa wilden, bevolkten in overgrote
meerderheid de bovendekken. Numeriek waren zij slechts franje indien
men bedenkt dat tussen 1840‑1890 circa 13,5 miljoen emigranten per
zeil‑ en stoomschip naar de V.S. werden vervoerd, maar de Amerikaanse
reizigers vormden voor alle rederijdirecties de inspiratiebron en de
maat waaraan de interieurs voor de hoogste klassen aan boord werden
getoetst. In
de V.S. had zich al vroeg in de negentiende eeuw het reiscomfort
ontwikkeld tot een produkt, dat mits men beschikte over geld en de
juiste huidskleur, voor een ieder te koop was. De inrichting van de
transatlantische passagiersschepen bleef aanvankelijk ver achter bij
het comfort en de luxe die aangetroffen konden worden aan boord van
bijvoorbeeld de rivierpassagiersschepen, de Pullman‑treinen of
in de grote luxe hotels. De Zwitsers mochten het luxe hotel tot
toonbeeld van dienstbaarheid hebben gemaakt, het waren met name de
Amerikanen die in het laatste kwart van de negentiende eeuw het
luxehotel vervolmaakten. Zij maakten het luxe hotel zelfs tot een voorbeeld
voor de Europeanen, in het bijzonder op het gebied van de indeling van
de gemeenschappelijke verblijfsruimten, het comfort door middel van
service en techniek en de luxe in de interieurs. Aanvankelijk
konden de stoompassagiersschepen absoluut niet voldoen aan de vraag naar
comfort en luxe. Daarvoor ontbrak niet alleen de nodige ruimte aan
boord, maar ook de economische grondslag. Nadat de Inman Line had
aangetoond dat ook zonder (post)subsidie een stoompassagiersschip
winstgevend kon worden gexploiteerd, kwam de ontwikkeling in een
stroomversnelling. De Engelse rederijen gingen elkaar beconcurreren
met steeds grotere, nieuwe en vooral snelle schepen. De interieurs van
de gemeenschappelijke verblijfsruimten aan boord van deze schepen
werden overgelaten aan de werftimmerman. Deze riep voor de decoratie
van een salon soms de hulp van een kunstenaar in. Met de introductie van
de "Oceanic" in 1871 door de White Star Line
werd een indeling aan boord geïntroduceerd met de eerste klasse in het
midden op het bovendek die bijna algemene navolging zou vinden. In
een zich snel ontwikkelend reisnetwerk van treinen, hotels en schepen
waarin een uitwisseling van ideeën steeds sneller plaats had, werd
ook in Europa al snel duidelijk dat comfort en luxe, evenals hygiëne
en service niet uitsluitend het voorrecht hoefden te zijn van een
beperkte elite, zoals de aristocratie , en dat bovendien de Amerikaanse
reizigers met plezier wilden betalen voor deze diensten. Vanaf
het midden van de jaren tachtig kwam de transatlantische
passagiersvaart steeds meer in het teken te staan van de
Engels‑Duitse rivaliteit. Met de toename van het aantal dekken aan
boord nam ook het aantal gezelschapsruimten voor de eerste klasse toe.
De interieurs van deze ruimten evolueerden tot luxueuze decors,
omdat het luxe hotel tot uitgangspunt werd genomen. Deze interieurs
werden naast snelheid van het schip, geboden service en passageprijs
mede publiekstrekker. De rederijen besloten vormgevers‑architecten
in te schakelen. De rol van de interieurontwerper bleef echter
beperkt tot de aankleding, de indeling van de ruimten werd aan de
scheepsbouwer overgelaten. Welke rederij het eerst overging tot het
aantrekken van een architect is (nog) niet geheel duidelijk, maar het
waren met name de N.D.L.
en de HAPAG die de inzet van een architect aan boord tot een
structurele rederijpolitiek maakten. De
transatlantische passagiersschepen waren vanaf
1895 ongeveer gelijkwaardig geworden aan de hotels op de wal en
waren in comfort, luxe en snelheid maatgevend voor de schepen op lijnvaartroutes
naar andere werelddelen. In 1890 was het grootste passagiersschip
circa 180 meter lang met een inhoud van 10.000 b.r.t.; in 1914 waren er
schepen met een lengte van circa 280 meter en een vijf maal zo`n grote
inhoud. Met deze laatste schepen konden duizenden passagiers worden
vervoerd in vier verschillende klassen. Niet alleen was er een
voortdurend groot aanbod aan emigranten ‑ niet minder 13 miljoen
maakten de overtocht tussen 1890 en 1914‑ maar er kwamen ook
steeds meer gastarbeiders die een deel van het jaar werkten in de V.S.
en daarna weer terugkeerden naar Europa. Op aandringen van A.Ballin, de
directeur van de HAPAG, werden de eerste schreden gezet op het
pad naar kartelvorming door met de andere rederijen tot prijsafspraken
te komen. De pleziervaart werd voor de lijnvaartschepen een belangrijke
bron van inkomsten en de twee Duitse rederijen, de N.D.L. en de
HAPAG werden tot de grootste rederijen ter wereld.
Op alle transatlantische passagiersschepen
werd een geformaliseerde sociale omgangsstijl gangbaar, die
leunde op de leefstijl zoals die aanvankelijk bij de Engelse en later
ook bij de Amerikaanse 'Society' kon worden aangetroffen. In het
Verenigd Koninkrijk en de V.S. werd de middenklasse in de loop van
de negentiende eeuw maatschappelijk een belangrijke economische
factor. Naarmate haar financiële macht toenam en haar politieke invloed
groeide, wilde zij zich liever cultureel en sociaal assimileren aan de
aristocratie dan een totaal ander leefpatroon tot uitgangspunt nemen.
Dit gold al in de jaren dertig in de negentiende eeuw in het Verenigd
Koninkrijk, maar ook in de republikeinse V.S., een natie zonder adel
of soeverein, werd vanaf de jaren zeventig door de financiële elite
naar de Engelse 'Society' gekeken
en werd haar leefstijl geïmiteerd. Als een weerspiegeling van dat
cultureel‑maatschappelijke streven werden thuis en op reis de
met de aristocratie geassocieerde Periode‑stijlen geadopteerd.
Deze stijlen bevestigden niet alleen de (nieuwe) status van de nieuwe
welgestelden maar waren tevens stevig ingebed in de Europese tradities;
zij verleenden als het ware een historische legitimatie aan de 'bourgeois‑gentilhomme'.
De Amerikanen stonden daarin niet alleen. Ook in Europa verrezen vele
luxe hotels die in de aankleding van het ex‑ en interieur leunden
op de Franse en Italiaanse paleizen uit de Barok. Maar de hotels in de
V.S. waren niet alleen vaak veel groter, maar boden de cliëntèle een
luxe en comfort en technische service die veelal in Europa nog onbekend
waren en zelfs op de passagiersschepen nog niet gerealiseerd konden
worden.
De betekenis van de Periode‑stijlen
was aan boord van de passagiersschepen misschien nog wel groter dan
aan de wal. Aan boord kon men tegen betaling voor korte tijd lid worden
van een exclusieve gemeenschap die verkeerde in een rijk aangekleed interieur,
dat, naarmate de scheepsbouwkunde evolueerde, de schepen groter
werden, de indeling complexer en het aanbod aan passagiers groeide, in
steeds meer verschillende typen gezelschapsruimten kon worden
aangetroffen.Het passagiersschip was zowel in de interieurs als in
de ruimteverdeling een spiegel van een ideale samenleving. Aan boord
bestond namelijk een hiërarchisch gestructureerde samenleving in
klassen op basis van kapitaalbezit. In de eerste klasse reisden boven
in het schip de welgestelden. Zij verkeerden in een omgeving die was
aangekleed in stijlen die altijd geassocieerd waren met de aristocratie,
maar tussen hen bestond geen onderscheid op basis van geboorterecht. Bovendien
werd aan het klasseverschil met de minder welgestelden in de andere
klassen strikt de hand gehouden en werd het niet alleen uitgedrukt in
de hoogte van de passageprijs, maar ook in het comfort en de luxe van
de interieurs. Ofschoon op de passagiersschepen de in Europa
gehanteerde opdeling in klassen werd toegepast, was het sociale leven
aan boord in essentie een spiegel van de Amerikaanse samenleving want
er bestond een klassenscheiding op basis van welstand.
De rederijdirecties hoefden deze opvatting
over het interieur niet te verdedigen omdat de Periode‑stijlen
niet uitsluitend door de aristocratie of middenklasse werden gedragen,
maar ook in goedkopere versies door de arbeidersklasse zowel in Europa
als in de V.S. werden gekocht. Het Historisme kende tot aan de Eerste
Wereldoorlog een bijna algemene consensus.
Door de bijzondere eisen en
eigenaardigheden die het schip in verband met de constructie en de
zeegang stelde, moesten de Periode‑stijlen worden aangepast.
Aanvankelijk werd er in de interieurs niet klakkeloos gekopieerd. De
keuzes voor bepaalde Periode‑stijlen waren
vaak gebaseerd op de mode van het moment en deze stijlen werden
meestal eclectisch verwerkt, waarbij soms de hyperbool niet werd
geschuwd. Elke salon kreeg een eigen stijl. Ook werden
negentiende-eeuwse inzichten in de toegepaste Periode‑stijlen geïntroduceerd.
Zitcomfort en informele schikking deden hun intrede in de
verschillende meubileringsprogramma`s voor de salons in huis en hotel
en aan boord. De droomdecors van het Historisme heersten soeverein aan
boord van de passagiersschepen van de rederijen tot aan 1914 met de "France"
uit 1912 van de C.G.T. als onbetwist hoogtepunt. Dit
passagiersschip was snel, middelgroot en had koninklijke interieurs in
de gezelschapsruimten
In Europa ontwikkelde zich de trouw aan het
Historisme als een aantrekkelijk compendium aan stijlen op een
paradoxale wijze: terwijl tot aan 1914 het nationaal en territoriaal
bewustzijn steeds sterker werd, bleven de rederijdirecties trouw aan het
internationaal geaccepteerde Historisme. De wil tot onderlinge
distinctie door middel van de interieurs was dus ondanks alle politieke
en economische rivaliteit nog niet sterk ontwikkeld. De interieurs
waren gekozen op hun trefzekere succes bij de Amerikanen en het
Historisme zou nog lang een veilige keus blijken.
In een enkel geval werd op initiatief van
een lid van de rederijdirectie echter wel een afwijkende,
eigentijdse vormgeving aan boord toegelaten. Rondom de eeuwwisseling
kwam in Duitsland de vormgeving aan boord in het debat van het
nationalisme terecht. Er ontstond een oppositie tegen dat internationaal
georiënteerde Historisme en zo werd het toelaten van eigentijdse
vormgeving in zekere zin geïnitieerd door de vraag naar een meer
nationale stijl. Op de "Kronprinzessin Cecilie"
van de N.D.L. werden als eerste luxe hutten ontworpen door
architecten/kunstenaars die in een eigentijds vorm idioom werkten. De
gezelschapsruimten waren het laatste werk van Poppe in een Renaissance
stijl. Ongeveer tegelijkertijd mocht C.A. Lion Cachet in Nederland
voor de S.M.N. de gezelschapsruimten aan boord van de "Grotius"
ontwerpen, maar dit was een schip dat op Nederlands Indië voer en
daardoor internationaal nauwelijks aandacht trok. De "George
Washington" van de N.D.L. uit 1909 die op verzoek
van directeur H.Wiegand door B.Paul en R.A. Schröder was ingericht, was
in zekere zin het proto‑type van een passagiersschip dat als een
nationaal cultureel ambassadeur diende te functioneren, daarmee
uitstijgend boven het rederijbelang; een schip waarbij de propaganda
voor technische en culturele kwaliteiten van de Duitse natie voorop
stonden. Toch werd door de N.D.L. niet op deze weg voortgegaan.
Na de dood van Wiegand koos men voor een meer traditioneel vormgever
als P.L.Troost die tot in de jaren dertig voor deze rederij zou blijven
werken. De HAPAG stond eigentijdse vormgeving toe in enkele luxe
hutten van haar prestige schip, de "Imperator" en
op enkele minder belangrijke schepen die op Zuid‑Amerika voeren.
De C.G.T. begon onder leiding van John dal Piaz op de al
hierboven genoemde "France" (II) met de
aankleding van enkele hutten in eigentijdse vormgeving, een ontwikkeling
die onder zijn leiding na afloop van de Eerste Wereldoorlog tot
rederijpolitiek zou worden.
Na afloop van de Eerste Wereldoorlog was er
politiek en economisch gesproken voor Europa een geheel andere
situatie ontstaan. De aristocratie had gevoelig gezichtsverlies
geleden en veel vorstenhuizen waren gevallen. Europa had zich onder
aanvoering van die aristocratie in een zinloze en bloedige oorlog
uitgeput en de V.S. waren economisch de
machtigste natie ter wereld geworden.In de jaren twintig leek
een periode van welvaart voor enkelen voorbij en de massacultuur in de
V.S. werd voor menig Europees burger een lichtend voorbeeld en voor
menig Europees intellectueel een gruwel.
De belangrijkste nieuwe ontwikkelingen die
het transatlantisch scheepvaartverkeer tot aan de jaren dertig
zouden kenmerken, laten zich als volgt samenvatten: er was de opkomst
van nieuwe (transatlantische) scheepvaartnaties zoals de V.S., Zweden en
Italië; de vloten van de N.D.L. en HAPAG werden door de
Geallieerden geconfisceerd; er was vanaf 1921 de zeer stringente immigratiebeperking
in de V.S. waardoor er nog maar heel weinig landverhuizers konden worden
overgezet en er was een structureel overschot aan scheepsruimte. De
herbouw van de Duitse transatlantische koopvaardijvloot, die energiek
vanaf 1917 ter hand was genomen, maakte het overschot nog groter.
Het Amerikaanse toerisme daarentegen
ontwikkelde zich in de jaren twintig voorspoedig. In 1919 kwamen er
alweer circa 90.000 toeristen naar Europa, een aantal dat geleidelijk
zou stijgen tot circa 359.000 in 1930. Toch was hun aantal te klein om
het wegvallen van het landverhuizersverkeer te kunnen opvangen.
Vanaf 1925 probeerden de rederijen reizigers met een smallere beurs te
strikken door de derde-klasse op te waarderen en het comfort te verbeteren.
Uiteindelijk zou zelfs door de groei van de toeristenstroom, de lager
geklasseerde toeristen-derde-klasse begin jaren dertig de tweede klasse
doen verdwijnen. De pleziervaart begon aan een stormachtige
ontwikkeling, daarbij geholpen door de effecten van de Drooglegging in
de V.S., maar stond nog te zeer in de kinderschoenen om een
alternatief te kunnen zijn voor het grotendeels verdwijnen van het
landverhuizersverkeer. Met deze ontwikkeling van de pleziervaart
begon ook de verbetering van het comfort in de lagere klassen en de
toename van de ruimte die
een persoon op de reguliere lijnschepen kreeg, waardoor steeds minder
passagiers de exploitatiekosten moesten dragen. Omdat de pleziervaart
een luxe tijdverdrijf is, werd het aantal passagiers aan boord tijdens
'cruises' beperkt en werden delen van verschillende klassen bij elkaar
gevoegd. Toch herstelden zich de rendementen bij de rederijen door
rationalisatie en stroomlijning
van de organisaties en de opbrengsten uit andere belangen en lijnvaartroutes.
De rederijen hielden zich bovendien aan de onderlinge prijsafspraken
in het karteloverlegorgaan, de Atlantic Conference, waardoor
een 'prijzenslag' kon worden voorkomen.
Er werden in het begin van de jaren twintig
geen grote, snelle, luxe passagiersschepen besteld, ondanks de
verliezen in de Eerste Wereldoorlog. Ook de HAPAG en N.D.L.,
kozen zoals de H.A.L. en Cunard Line voor kleinere
vracht‑en passagiersschepen. De leefstijl van de Amerikanen en
de inrichting van de passagiersschepen van de nieuwe Amerikaanse
rederijen dienden op hun passagiersschepen voorlopig nog
als argument om voor de aankleding van de gezelschapsruimten de
weg van het Historisme te blijven volgen. In de V.S. werden nog
steeds met grote regelmaat grote luxe hotels gebouwd, die zonder
uitzondering met Periode‑stijlen waren ingericht. Zo werd
het al eerder genoemde passagiersschip "George
Washington" van de N.D.L., dat in de Eerste Wereldoorlog
door de Amerikanen in beslag was genomen, zelfs snel na de oorlog in
haar interieurs ge‑(re)Historiseerd. Deze visie op smaak werd
trouwens nog steeds door de meeste directies en passagiers gedeeld en
vormde als zodanig nog geen onderwerp voor een debat. Het waren in
deze periode met name de Italiaanse passagiersschepen van de Lloyd
Sabaudo waarop de gezelschapsruimten werden ingericht door het
atelier La Casa Artistica
van de gebroeders Coppedè ,waarbij in de toepassing van de
Periode‑stijlen de hyperbool niet werd geschuwd. De grote publiektrekkers
bleven echter de zeer grote passagiersschepen van de Cunard Line,
de I.M.M./White Star Line en de U.S.L. van voor de oorlog,
te weten de "Majestic" (II) (ex "Bismarck"),
de "Leviathan" (ex "Vaterland"),
de "Berengaria" (ex "Imperator"),
de "Aquitania", de "Olympic" en
de "Mauretania" die ook waren ingericht in
Periode‑stijlen.
Toch begon, zij het aarzelend en tastend,
een nieuwe ontwikkeling zichtbaar te worden op enkele nieuwe schepen
van de HAPAG en de C.G.T. Deze rederijen wensten een grotere
onderlinge distinctie en het toelaten van eigentijdse vormgeving met
een nationaal karakter leek daartoe een doeltreffend middel. De
schijnbaar onwrikbare opvattingen over de toepassing van
Periode‑stijlen aan boord waren door tenminste drie oorzaken aan
erosie onderhevig:
Ten eerste dienden zich in het aanbod aan
reizigers fundamentele wijzigingen aan. Niet alleen was het aanbod aan
landverhuizers kleiner geworden, maar de maatschappelijke hiërarchie
werd ook minder eenduidig weerspiegeld in de klassenindeling aan boord
van het schip. Dit kwam
omdat de individuele, actieve welgestelde reiziger van de Oostkust was
afgelost door een meer passieve massale toeristenstroom die in alle
klassen reisde en als groep nauwelijks in Europese cultuur geïnteresseerd
was. De Amerikanen reisden onder de paraplu van een reisbureau naar
Europa om plezier te maken dankzij de koopkracht van de dollar. Deze
ontwikkeling was weliswaar al voor de Eerste Wereldoorlog begonnen,
maar zette nu pas echt door. Daarmee verdween in principe ook het eenduidige
beeld dat bij de directies bestond over het type Amerikaanse reiziger.
Tot aan dat moment was de welgestelde Amerikaan van de Oostkust maatstaf
en voorbeeld geweest.
Ten tweede wilde elke natie na afloop van
de Eerste Wereldoorlog zo mogelijk een eigen scheepvaartnetwerk
ontwikkelen en niet meer afhankelijk zijn van andere vervoerders.
Overheden gebruikten daarbij zelfs subsidies omdat doel te
verwezenlijken. Scheepvaart
werd steeds meer deel van
een versterkt nationaal bewustzijn waardoor ook modernere, minder
algemeen geaccepteerde opvattingen over vormgeving en kunst maar die wel
nationaal van karakter waren, een kans
aan boord konden krijgen.
Ten derde was in het
verarmde Europa de dollar een zeer gewaardeerde harde valuta, waardoor
het voor naties als Frankrijk en Duitsland, en later ook Italië
interessant werd de welgestelde Amerikaanse toerist te strikken. De toepassing
van Periode‑stijlen was
kostbaar en de toegepaste stijlen moesten altijd aan de omstandigheden
aan boord van een schip worden aangepast, een gegeven dat altijd ook
veel voorstanders van de toepassing van Periode‑stijlen een
minder aantrekkelijk aspect hadden gevonden. Zo kon nationale
eigentijdse vormgeving, met het Historisme als ijkpunt, naast andere
toerisme bevorderende maatregelen uitgroeien uit tot een onderdeel
van de nationale propaganda.
De rederijdirecties zochten de oplossing
in een geleidelijke ontwikkeling vanuit de Periode‑stijlen. Deze
ontwikkelingen naar divergerende opvattingen over vormgeving op
nationale grondslag zouden in de jaren dertig nog meer momentum krijgen
onder druk van teruglopende aantallen reizigers, slechtere rendementen
onder druk van de economische Depressie en de toenemende invloed van de
Staat op de rederijen.
Vanaf de tweede helft van de jaren twintig
tot in de jaren dertig was aan boord van de transatlantische
passagiersschepen de ontwikkeling als volgt: op Duitse, Engelse, Nederlandse,
Italiaanse en Amerikaanse passagiersschepen werd het Historisme nog
veelvuldig toegepast, maar de toepassing van de
Periode‑stijlen werd vrijer, minder historisch correct. Er werden
eigentijdse elementen aan toegevoegd en het nationale karakter werd
meer dan voorheen benadrukt. Ook werden de Periode‑stijlen
vereenvoudigd en gedeeltelijk ontdaan van overdadige ornamentatie en
er werden aspecten van een nieuwe vormgeving aan toegevoegd. In
Zweden bijvoorbeeld begon de S.A.L. in de jaren twintig in het
Historisme met een bewerking van de Periode‑stijlen uit kasteel
Gripsholm op het gelijknamige schip, maar na het succes van de
Scandinavische vormgeving in Parijs 1925 werd een moderne vertaling van
de Empire aan boord toegepast, die algemeen als een zeer aanvaardbare eigentijdse
oplossing werd gezien van het Historisme.
Zo kon met name in Italië, in de V.S. en
in Groot‑Brittannië omstreeks het begin van de jaren dertig een
enigszins hybride stijl ontstaan, die meer aandacht kreeg voor de
betekenis van het weglaten als aantrekkelijk alternatief. Het vlak
werd meer gerespecteerd, de pilaster als wandgeleding boette aan
belang in en het ornament werd nog maar spaarzaam toegepast. Bovendien
werden moderne kunststoffen, fineer en metalen in het meubilair en de
wandbetimmering steeds vaker gebruikt.
In Frankrijk daarentegen volgde de C.G.T.
vanaf de introductie van de "Paris" in 1921
een meer eigen koers. De C.G.T. liet onder leiding van haar
directeur John dal Piaz op haar passagiersschepen eigentijdse Franse
vormgeving toe. Dal Piaz gaf de voorkeur aan een rijkogende,
decoratieve stijl waarbij de Periode‑stijlen geen vertrekpunt meer
waren maar als referentie op het gebied van monumentaliteit en luxe
werden gebruikt. Oude en nieuwe materialen werden vrijelijk
gecombineerd en er was vaak sprake van een toepassing van een eigentijdse
symboliek. Veelal was nog wel een allusie naar het Historisme
behouden gebleven.
Voor de "Ile de France" uit
1927 deed Dal Piaz een beroep op een groot aantal architecten/ontwerpers
die met groot succes aan de internationale expositie van 1925 hadden
meegedaan. Het waren ontwerpers die in de architectuur en decoratie
een gematigd modernisme aanhingen en die de nationale stijl‑
en vormtradities niet echt uit het oog verloren, veelal een trefzeker
gevoel hadden voor de toepassing van dure materialen en het
scheepsinterieur voor de belangrijkste klasse niet onderwierpen aan
een vormgevingsdrift met een uniform klinisch, machine‑achtig
karakter. Decoratie en veel ruimte voor figuratieve kunst in een duur
ogend interieur kregen zodoende de voorkeur. Deze ontwikkeling zette
door in de jaren dertig. De parameters van luxe en comfort bleven ook
bij deze opvatting duidelijk: de interieurs behielden in deze
moderne variant hun luxueuze, monumentale karakter en maakten dat in
de detaillering, in de toegepaste kleuren, vaak met een klassiek
ogende geleding van wanden en plafonds en rijk materiaal, ook duidelijk.
De HAPAG uit Hamburg had op haar
nieuwe, relatief kleine passagiersschepen uit de beginjaren twintig
nationale eigentijdse vormgeving op basis van de voorbeelden van de Periode‑stijlen
gepropageerd, maar deze rederij liet geen grote passagiersschepen meer
bouwen. Het was de N.D.L. uit Bremen die aan het eind van de
jaren twintig het duidelijkst de nieuwe geëvolueerde opvattingen liet
zien. De twee nieuwe snelle grote passagiersschepen de "Bremen"
(IV) en de "Europa" (II),
die samen omstreeks 1930 met de oudere "Columbus" (II)
werden ingezet op de route naar New York, lieten zien hoe de
eigentijdse opvattingen en aanpassingen van het Historisme
functioneerden; nieuwe eigentijdse vormgeving werd gentegreerd en
bovendien monotonie aan boord kon worden voorkomen. De "Columbus",
die stamde uit de jaren vlak na de Eerste Wereldoorlog, had nog
interieurs in Periode‑stijlen, maar op de "Europa"
uit 1930 had de ontwerper die ook verantwoordelijk was voor de "Columbus",
de architect P.L.Troost, een gemoderniseerd Duits
Periode‑stijlenapparaat toegepast. Het was een synthese waarin een
persoonlijke interpretatie van de Periode-stijlen, eigentijdse ornamenten
en Art‑Déco-invloeden waren te traceren. Bovendien was er veel
plaats ingeruimd voor gemakkelijk te verteren beeldende kunst. De
architect Breuhaus de Groot, de ontwerper met de meest uitgebreide
opdracht op de "Bremen", was daarentegen een
syntheticus die werkte vanuit een geheel andere traditie. Hij wist
vanuit een meer rationele benadering van de scheepsruimte een
versobering van de decoratie 'salonfähig' te maken door een verbinding
te maken tussen enigszins oppervlakkige, maar modernistische kenmerken
als een minimum aan ornamentatie, respect voor het wandvlak en eenvoud
in kleur met een meer traditionele Duitse vormgeving, zonder terug te
vallen in het Historisme. Dit leidde blijkbaar tot een aanvaardbaar
niveau van representativiteit. Door de vormgeving van Breuhaus de
Groot te plaatsen temidden van die van architecten met een meer
uitbundige opvatting als P.Hofmann (in het restaurant) en R.A. Schröder
(in de rooksalon), voorkwam de directie te grote soberheid en monotonie.
De jaren dertig waren op het gebied van de
transatlantische passagiersvaart, de jaren van (bijna) faillissementen,
fusies, virulent nationalisme en vooral van de 'Folie de Grandeur'.
In Italië, Frankrijk en Engeland waren de
besluiten, om superpassagiersschepen te bouwen die zowel groot als
uiterst snel zouden zijn, genomen onder druk van het succes van de
schepen van de N.D.L.. Op de indeling van deze passagiersschepen
had de pleziervaart een grote invloed en de (dek)ruimte die elke
passagier op deze schepen kreeg toegemeten, was onvergelijkbaar met
die op vroegere schepen. Met name de "Empress of Britain"
(II) van de C.P.R. uit 1931 kon een aantal passagiers
vervoeren dat gerelateerd aan haar volume, uiterst klein was. Dit was
ook de periode dat er nauwelijks meer nieuwe luxe hotels werden
gebouwd en de reusachtige passagiersschepen de bestaande hotels in
de luxe van de interieuraankleding naar de kroon zouden steken en in
een enkel geval zelfs overtroffen.
De (af)bouw van deze superschepen had onder
moeilijke economische omstandigheden plaats en was in de meeste
gevallen slechts mogelijk met behulp van gemeenschapsgeld. Deze
schepen werden in Italië, Frankrijk, Engeland nationaal begrepen als
symbolen van collectief technische en kunstzinnige brille, van
werkverschaffing, nieuw politiek elan en prestige, terwijl toch
eigenlijk geenszins vast stond dat deze schepen economisch geëxploiteerd
konden worden. De drie Italiaanse transatlantische rederijen werden
geconcentreerd in één overkoepelende rederij, te weten de Italia
Line. De prestigieuze passagiersschepen van deze rederij uit
1932 de "Rex" en de "Conte di Savoia",
die het Amerikaanse toeristenverkeer naar Italië moesten leiden,
toonden in hun interieurs opvattingen als op de schepen van de N.D.L.
Op de "Rex" waren de interieurs uitgevoerd in
het veilige, hier en daar gemoderniseerde Historisme. Maar op de "Conte
di Savoia" was de strategie veranderd. Het was G.Pulitzer
Finali die een moderne sobere stijl vanuit zijn kennis niet alleen van
het Historisme, maar ook van de produkten van de Wiener Werkstätten
en de Franse Art‑Déco en van de Duitse en Italiaanse traditionele
vormgeving, zou omvormen tot een hoogwaardige moderne Italiaanse
vormentaal, uitgevoerd in dure materialen met een hoge ambachtelijke
kwaliteit. Dit leidde bij hem tot een stijlopvatting met voldoende
representativiteit en monumentaliteit. De architect had elke salon een
eigen aard en karakter verleend waarmee hij uniformiteit en monotonie
had voorkomen. Bovendien was zijn werk 'gekoppeld' aan interieurs
van de Coppedès, die enkele belangrijke salons als een concessie aan
het roemrijke Italiaanse verleden hadden voorzien van Periode‑stijlen
aangevuld met schilder‑ en beeldhouwwerk uit bloeiperioden van de
Romeins/Italiaanse cultuur.
Op de "Normandie" (II)
uit 1934 van de C.G.T., een rederij die in deze periode staatseigendom
was geworden, was moderne vormgeving voor de eerste maal uitgegroeid tot
een decor, waarin niet meer de reiziger centraal stond maar de
architecten en kunstenaars en hun vormgevingsdrift. De "Normandie"
was door deze overdaad aan architectuur en ingepaste
beeldende kunst een nieuw antwoord op het zoeken naar een nieuw type
monumentalisme en symbolisme. Aan boord van dit prestigieuze project
moest een geïdealiseerd beeld worden uitgedragen van de veerkracht
van de Franse vormgeving en democratische maatschappij. Deze
propaganda kreeg gestalte door de presentatie van een overdonderende
architecturale vormgeving en door de toepassing van een figuratieve door
het maniërisme en barok geïnspireerde beeldentaal met rijk ogende
materialen. De vormgeving stond zodoende in haar betekenis en
functie weer dichter bij de autocratische opvattingen, waarin Kunst
en centraal geleide Staat elkaar versterkten. Maar de invloed van de
tendens naar versobering in de smaak was intussen een feit geworden. Status,
luxe en onderscheid met andere klassen werden in de loop van de jaren
dertig minder openlijk nagestreefd, maar werden uitgedrukt in de
toepassing van dure materialen, de inpassing van kunstwerken en een
overdaad aan ruimte. Status en welvaart dienden dus op meer passende,
ingetogen wijze te worden onderstreept en daar hoorde overdrijving
niet meer bij. In die zin was de "Normandie" eigenlijk
nu 'hors‑concours'; voor de "Normandie" paste
slechts bewondering zoals bij een indrukwekkend vuurwerk dat door zijn
efemere karakter weinig met de dagelijkse werkelijkheid uitstaande
heeft. De algemene accentverschuiving van een internationaal geaccepteerd Historisme,
naar een eigentijdse vormgeving met een nationaal karakter, was in korte
tijd succesvol geworden. Het bijna dwangmatig vasthouden aan de
traditionele Engelse of Franse Periode‑stijlen met hun
aristocratische connotaties had plaats gemaakt voor een veel ruimer
scala aan mogelijkheden waarin een grote diversificatie in
vormopvatting per schip ook door de belangrijkste doelgroep, de
Amerikaanse reizigers, acceptabel werd gevonden zolang de aangedragen
oplossingen maar geen kale salons opleverden. Die scheepsinterieurs
liepen echter niet uit de pas met een meer algemene opvatting over
vormgeving en interieurinrichting in de Westerse wereld. Ook aan de
wal was geen sprake van een radicaal afscheid van de traditie of het
ornament, maar bleef men een stijlopvatting op prijs stellen waarin
gevoelens van decorum, stabiliteit, waardigheid en betrouwbaarheid
werden weerspiegeld en waarin men zich geborgen voelde. Zo mocht de
consensus over de toepassing van het Historisme dan wel verbroken
zijn, maar dat betekende geenszins dat het stijlenapparaat aan de wal of
aan boord geen toepassing meer vond. Voor de representatieve architectuur
werd in de democratieën en dictaturen in de Westerse wereld trouwens al
weer heel vaak aansluiting gezocht bij de nationale historische
traditie of bij neo‑classicistische voorbeelden, ofschoon er
nu wel speelruimte bleef om vrijer met de vormentaal te
experimenteren.
De "Queen Mary" van de gefuseerde rederij
Cunard/White Star Line uit 1936 werd gebouwd met gigantische
leningen en de rederij was gedwongen de transatlantische belangen van de
failliete White Star Line over te nemen. De Cunard/White Star
Line onder leiding van directeur Sir Percy Bates had ‑bij
toeval‑ een gedurfde stap gezet. Zij had interieurs laten ontwerpen
door een Amerikaanse architect, die het Historisme had ontmanteld en de
wanden bij wijze van spreken het ornament had laten absorberen. Ook
waren alle salons uitgevoerd in een uniforme stijlopvatting. Maar toch
bleef hier sprake van een knieval voor een herkenbaar type monumentalisme
dat zeer schatplichtig was aan de Periode‑stijlen. Op haar
andere twee nieuwe passagiersschepen van vlak voor de Tweede
Wereldoorlog had de rederij de opdracht gegeven aan Engelse architecten,
die interieurs maakten die verwant waren aan de "Queen
Mary" maar dichter bij het Historisme bleven. Het
experiment met een modernere vormgeving aan boord van een passagiersschip
was voorbehouden aan een rederij op een andere route. De interieurs voor
de nieuwe schepen van de Orient Line uit 1935 en 1937 werden
door de zeer jonge directeur C.Anderson in opdracht gegeven aan
B.O'Rorke met de intentie eigentijdse vormgeving een kans te geven.
De "Nieuwe Amsterdam" (II) van de H.A.L.
uit 1938 was het trotse eigendom van een rederij die bijna failliet
was geweest, maar zij kon gebouwd worden dankzij een lening van de
Staat. Hoewel als passagiersschip veel kleiner dan de hiervoor besproken
superschepen, was zij voor Nederlandse begrippen een reusachtig
schip en met name door de directie van de H.A.L. begrepen als een
technisch en cultureel 'ambassadeur' van Nederland. Zij was bedoeld
als 'running‑mate' voor de "Statendam" (III)
uit 1929, waarvan het interieur nog in verschillende
Periode‑stijlen was uitgevoerd en die een succesvol, winstgevend
passagiersschip was. In het ontwerp van de scheepsvorm leek de "Nieuw Amsterdam" geïnspireerd door de "Rex", in opdeling van de schoorsteenkanalen door de Duitse passagiersschepen en in de ruimte‑indeling en het aantrekken van vele architecten en kunstenaars door de "Normandie". De pleziervaart was zo goed als maar mogelijk geïntegreerd in de planning van de gemeenschappelijke verblijfsruimten en hutten. In de aankleding van de gezelschapsruimten in alle klassen liet zij het samengaan zien van die stromingen die in de daaraan voorafgaande decennia het beeld van de moderne architectuur en vormgeving in Nederland hadden bepaald. Directeur W.H. de Monchy, groot kunstliefhebber en animator van een eigentijdse vormgeving, had uiteindelijk de voorkeur gegeven aan diversiteit boven uniformiteit van de interieurs; de aankleding van de interieurs van alle klassen en luxe hutten was aan verschillende architecten in opdracht gegeven. In de kajuits-klasse was H.Th.Wijdeveld de belangrijkste architect. Dit was een vormgever met voorkeur voor een rijke vormgeving, wiens expressionistische stijl was verbonden met een monumentale barokke, classicistische opvatting in de beeldende kunst. Eschauzier daarentegen was een vormgever die nog dicht bij het Historisme opereerde. Semey had een rijke, niet goed definieerbare stijlopvatting waarin veel plaats voor kunstenaars was ingeruimd. Ook waren er architecten uitgenodigd zoals Oud en Van Ravesteyn, weliswaar hoofdzakelijk voor de toeristen-klasse, die een totaal andere binnenhuisarchitectuur voorstonden. De directie had niet gekozen voor de extremistische 'die‑hards' uit het Nieuwe Bouwen, maar gebruik gemaakt van de diensten van vormgevers die zich wilden conformeren aan de eisen van een specifieke commerciële opdracht. Bovendien was er vanuit de notie van het passagiersschip als cultureel ambassadeur voor de natie, een opvatting die niet zozeer leefde bij de Staat als wel bij de rederij, ampele plaats ingeruimd voor het werk van meer dan 50 kunstenaars. De "Nieuw Amsterdam" was door toeval en zakelijk elan exemplarisch geworden voor dit decennium en borg in zich alle complexe en soms paradoxale ontwikkelingen van de jaren dertig |
Between
1840 and 1860 transatlantic liner services were dominated by American
and British shipping-companies. After 1860 until deep in the 1880s,
however, they were really exclusively dominated by steamship owners
in the United Kingdom. From
the second half of the 1850s the first class of the transatlantic
passengerships was populated by mainly American travellers,
businessmen or tourists. At first, there were 'only' some tens of
thousands of them per year, but their number increased to
approximately a hundred thousand per year in 1890. Although a paid
vacation did not yet exist, between May and September American
tourists travelled in remarkable large numbers from the New to the
Old World to make a 'Grand Tour', that as far as time was concerned
had in most cases been condensed to the length of a summer. The
enormous amounts of emigrants, which were initially put away 'tween
decks, and in a later stage deep fore and aft in the big ships were
the cork that kept the liner service floating. However, the wealthy
American travellers, who were in search of their roots, cultural
inspiration, on a business trip or wanting to go to Europe for
whatever reason, populated the upper decks for the great majority.
Numerically they were only frills considering that between 1831-1914
approximately 28 million emigrants were transported to the US by
sailing vessel or steamship, but for every management of the
shipping-companies on this route the American travellers were the
source of inspiration and the standard on which the interiors for the
first and second classes on board were tested by. Early
in the nineteenth century travel comfort in the US had developed
into a product that, if a passenger had money and the appropriate
colour of skin, was for sale to anybody. The furnishing of the
transatlantic passengerships initially lagged far behind the comfort
and luxury that could be found for example on board the large
riverboats, Pullman trains or in the large luxury hotels. Maybe the
Swiss had turned the luxury hotel into a model of service, the
Americans in particular changed it to perfection in the last quarter
of the nineteenth century. They even made the luxury hotel into an
example to the Europeans, especially concerning the layout of public
accommodation, comfort through service and technology and the
luxury in the interiors.
At
first the steamliners could by no means meet the demand for comfort
and luxury. They did not only lack the necessary space on board, but
also the economic basis. Development accelerated after the Inman
Line had proven that even without (mail)subsidy a steam liner
could be exploited profitably. The British shipping-companies
began to compete amongst each other with increasingly larger, new and
especially fast ships. The interiors of the passenger accommodation
on board these ships were left to the shipyard's carpenter. To
decorate a saloon he sometimes called on the help of an artist. With
the presentation of the 'Oceanic' in 1871,the White
Star Line introduced a layout on board with the first class
accommodation in the centre on the upper deck which would be copied
almost universally. In
a rapidly developing travel network of trains, hotels and ships where
the exchange of ideas happened increasingly faster, it soon became
clear in Europe as well that comfort and luxury, as well as hygiene
and service did not exclusively have to be the privilege of a limited
elite, such as the aristocracy, and furthermore that the American
travellers were happy to pay for these services. From
the mid-eighties the transatlantic liner service was increasingly
dominated by British-German competition. The growth in the number of
decks was also followed by an increase in the number of saloons
for the first class. The interiors of this accommodation evolved into
luxurious décors, because the luxury hotel was used as a starting
point. Besides the speed of the ship, the service offered and the
price of the ticket, these interiors also became crowd pullers. The
shipping-companies decided to call in designer-architects. However,
the role of this designer remained restricted to the furnishing,
the general arrangement of the accommodation was left to the
shipbuilder. Which company first decided to engage an architect is
not (yet) quite clear, but the N.D.L. with the architect
J.G.Poppe and the HAPAG with
G.Thielen made the employment of an architect on board a structural
shipowner's policy.
From 1895 the transatlantic liners had roughly become
equal to the hotels on the mainland and they were indicative
concerning comfort, luxury and speed to the ships on ocean lanes to
other continents. In 1890 the biggest liner was approximately
On
all transatlantic liners a formalized social etiquette based on the
life style that could initially be found with the English and also in
a later stage with the American 'Society', was accepted. In the course
of the nineteenth century the middle class socially became an
important economic factor in the United Kingdom and the US. As its
financial power increased and its political influence developed, the
middle class preferred to assimilate itself culturally and socially
into the aristocracy rather than having a completely different way of
living as a starting point. This was already customary in the 1830s in
the United Kingdom, but from the 1870s the English 'Society' was
looked at and its lifestyle copied by the financial elite in the
republican US. As a reflection of this cultural-social ambition the
aristocracy-associated Period-styles were adopted at home and for
travelling. These styles did not only confirm the (new) status of
the new well-to-do but they were also firmly embedded in European
traditions; as it were they gave the 'bourgeois-gentilhomme' a
historic legitimation. The Americans were not alone in this. Also in
Europe many luxury hotels arose which leaned on the French and Italian
palaces from the Baroque with respect to the furnishing of the outside
and the interior. But the hotels in the US often were not only much
bigger, they also offered the customers a luxury and comfort and
technical service mostly unknown in Europe and
which could not even be realized on the passengerships yet. The
significance of the Period-styles was perhaps even greater on board of
the passengerships than on the mainland.
On board of the ship a passenger could for a certain amount of
money become a member of an exclusive society and find himself in an
expensively decorated interior, that, as shipbuilding evolved, the
ships became bigger, the lay-out more complex and the number of
passengers increased, could be found in more and more different types
of lounges. The passengership was the reflection of the ideal society
both in her interiors and in the distribution of space. The fact is
that there was a hierarchically structured society in classes based
on wealth. On the upper deck were the well-to-do. They found
themselves in an environment that was decorated in styles that had
always been associated with the aristocracy, but between them there
were no differences based on birthright. Furthermore, the class distinction
between the less well-off in the other classes was strictly kept
in hand and this did not just show in the price of the ticket but also
in the comfort and luxury of the interiors. Although on
passengerships the division in classes as used in Europe was applied,
social life on board was essentially a reflection of American
society because there was a class division based on wealth more common..
The
management of the shipping-companies did not have to defend this view
on the interior, because the Period-styles were not only supported by
the aristocracy or middle class, but were bought by the working class
both in Europe and in the US in cheaper versions too. As
a result of the special requirements and peculiarities the ship
called for regarding construction space and movement, the
Period-styles had to be adjusted. Initially there was no thoughtless
imitation in the interiors. The choices for certain Period-styles
were often based upon the fashion of the day and these styles were
mostly incorporated eclectically, on which occasion the hyperbole
was not always avoided. Each lounge was given its own style.
Nineteenth-century views were also introduced in the applied
Period-styles. Seating comfort
and informal arrangement appeared in the various furnishing
programs in houses and hotels and on board. The fantasy décors of
Historicism prevailed on board of the shipping-companies' liners
until 1914 and the C.G.T.'s 'France' (II) in 1912
was the absolute peak. This passengership was fast, medium-sized and
she had royal interiors in the first class saloons.
In
Europe the loyalty to Historicism as an attractive compendium of
styles developed paradoxically: whereas until 1914 the national and
territorial consciousness became increasingly stronger, the
management of the shipping-companies remained loyal to internationally
accepted Historicism. So the wish for mutual distinction through the
interiors had not yet developed strongly despite all political and
economic rivalry. The interiors were chosen for their secure success
with the Americans and Historicism would prove to be a safe choice for
a long time. Occasionally,
on the initiative of a member of the management of the
shipping-company, a deviating, contemporary design would be allowed
on board. In Germany, around the turn of the century, the design on
board became part of the debate on nationalism. Opposition arose
against this internationally orientated Historicism and that is how
allowing contemporary design was in a certain way initiated by the
demand for a more national style. The 'Kronprinzessin Cecilie'of
the N.D.L. in 1907 was the first ship to have luxurious cabins
designed by architects/artists who worked in a contemporary style
idiom. At about the same time C.A. Lion Cachet in the Netherlands was
offered to design the public rooms on board the 'Grotius',
but this was a ship sailing on the Dutch Indies and
she therefore hardly attracted any international attention. The
'George Washington'of the N.D.L. built in 1909,
which, at the request of managing director H.Wiegand, had been
decorated by B.Paul and R.A. Schröder, was in a way the prototype of
a passengership that was to operate as a national cultural ambassador
and would in that way surpass the interest of the shipping-company.
She was a ship that would promote the technological and cultural
qualities of the German nation. However, the N.D.L. did not
continue this policy along these lines. After Wiegand's death a more
traditional designer like P.L. Troost who would work for this
shipping-company until the thirties, was chosen. The HAPAG
allowed contemporary design in some luxury cabins of her prestigious
ship, the 'Imperator' and on some less important ships
sailing on Latin America. On the already above-mentioned 'France'
the French C.G.T.
began, with John dal Piaz in charge, to furnish some cabins in a
contemporary design, a development that was to become company policy
after World War I. At
the end of the Great War a completely different situation had
developed politically and economically for Europe. The aristocracy
had severely lost face and many dynasties had fallen. Led by this
aristocracy Europe had worn itself out in a meaningless and bloody
war and economically the US had become the most powerful nation in the
world. In the twenties a period of prosperity for some seemed to be
over and the mass culture in the US became a shining example for many
a European civilian and an abomination for many a European
intellectual. The
most important developments that would characterize transatlantic
shipping until the thirties, can be summarized as follows: the rise
of new (transatlantic) shipping nations such as the US, Sweden and
Italy; the confiscation of the fleets of the N.D.L. and the HAPAG
by the allied forces and from 1921 onwards there was a very stringent
restriction on immigration in the US because of which very few
emigrants could be transported and there was a structural surplus of
tonnage. The rebuilding of the German transatlantic merchant navy,
taken on with great energy from 1917, made the surplus even bigger.
American
tourism on the other hand grew substantially in the twenties. Some
90,000 tourists came to Europe in In
the beginning of the twenties no large, fast, luxury passengerships
were ordered by the European shipping-companies, despite the losses in
the Great War. Like the H.A.L and the Cunard Line, the HAPAG
and the N.D.L. also decided on smaller freight- and
passengerships. For the time being the lifestyle of the Americans
and the general arrangement of the passengerships of the new
American shipping-companies served as an argument to follow the road
of Historicism with regard to the decoration of the public rooms. In
the US large luxury hotels, all without exception decorated in
Period-styles, were still built as regularly as clockwork. For example,
the previously-mentioned passengership 'George Washington'
of the N.D.L., that was seized by the Americans during the
Great War, was even quickly (re)Historicised in all her interiors
after the war. As a matter of fact, this view on taste was still
shared by most managements and passengers and was as such no object of
discussion yet. The Italian passengerships of the Lloyd Sabaudo
in particular had public rooms decorated by the La Casa Artistica studio
of the Coppedè brothers in which the use of the hyperbole was in
no way avoided when Period-styles were used. The very large pre-war
passengerships of the Cunard Line, the I.M.M./White Star
Line and the U.S.L.,namely the'Majestic'(II)
(ex 'Bismarck'), the 'Leviathan'(ex
'Vaterland'), the 'Berengaria' (ex 'Imperator'),
the 'Aquitania', the 'Olympic' and the 'Mauretania'
remained the big attractions for the public.
Yet,
albeit falteringly and haphazardly, a new development started to
become visible on some of the new ships of the HAPAG and the C.G.T.
These shipping-companies wanted a greater mutual distinction and
allowing on board a contemporary design with a national character
seemed to be an effective means. The apparent uncompromising
opinions about the application of the Period-styles on board were
subject to erosion due to at least three factors:
First
there were fundamental changes in the amount of passengers. Not only
the amount of emigrants had decreased, the social hierarchy was
reflected less univocally in the classification on board the ship.
This was because the individual active wealthy traveller of the East
Coast had been replaced by a more passive tourist flow that travelled
in all classes and was as a group hardly interested in European
culture. The Americans travelled to Europe under the umbrella of a
travel agency to have fun thanks to the purchasing power of the
dollar. This development had indeed already started before World War
I, but came on strong just now. This way, the univocal image the
managements had about the type of American traveller vanished in
principle as well. To this moment the wealthy American of the East
Coast had been criterium and example. Secondly,
after World War I, every nation wanted to develop its own network of
shipping lines and no longer depend on other carriers. Governements
even used subsidies to reach that goal. Shipping grew more and more
to be part of an enhanced national conscience as a result of which
more modern, less generally accepted views on design and art -but with
a national character- could have a chance on board as well. Thirdly,
in impoverished Europe the US dollar was a highly valued hard currency,
which is why trapping the wealthy American tourist became worthwhile
for nations like France and Germany and in a later stage also Italy.
Furthermore the application of Period-styles was expensive and the
applied styles always had to be adjusted to the pecularities on board
of a ship, a fact many advocators of the use of Period-styles had
always thought to be a less attractive aspect too. This was how,
besides other tourist-promoting measures, national contemporary
design, with Historicism as a starting point, could gradually develop
into a part of national propaganda.
Initially,
the managements of the shipping-companies tried to find the solution
however, in a development from the Period-styles. In the thirties
these developments to a design
on a national basis would gain even more momentum under pressure of
decreasing amounts of passengers, lower returns under pressure of the
Depression and the increasing influence of the State on the
shipowners. From
the second half of the twenties until into the thirties the
developement on board of the transatlantic passengerships was as
follows: Historicism was frequently used on German, English, Dutch,
Italian and American liners but the use of the Period-styles became
more free, less historically correct. Contemporary elements were
added and there was more emphasis on the national character than
before. The Period-styles were simplified and partly stripped of
excessive ornamentation and aspects of a new design were added. In
Sweden for example, the S.A.L. started in the twenties in
Historicism with an adaptation of the Period-styles from Gripsholm
Castle on the ship of the same name, but after the success of the
contemporary Scandinavian design in Paris
Thus,
particularly in Italy, in the US and in Great Britain a somewhat
hybrid style that gave more attention to the significance of
leaving-out as an attractive alternative could develop around the
beginning of the thirties. The wallsurface gained more respect, the
pilaster as an articulation of the wall lost its importance, and the
ornament was only applied scarcely. Furthermore, modern synthetics,
veneer and metals were used more and more in the furniture and the
panelling. In
France, the C.G.T., on the other hand, followed a course more
of its own since the introduction of the 'Paris' in
1921. Under the direction of managing director John dal Piaz this
shipping-company allowed a contemporary French design on its passengerships.
Dal Piaz preferred a rich, decorative style. Here the Period-styles
were no longer a starting point but they were used as a reference in
the field of monumentality and luxury. Old and new materials were
combined freely and the use of contemporary symbolism often could be
seen. An allusion to Historicism had mostly been preserved. For
the 1927 'Ile de France' Dal Piaz called on a large
number of architects/designers who had very succesfully participated
in the international exhibition in Paris of 1925. They were designers
who supported a moderated modernism in architecture and decorating and
who did not really loose sight of the national traditions in style and
design; most of the time they had an accurate feeling of how to apply
expensive materials and more important: they did not subject the
interior of a high-class liner to a designing passion for a uniform,
clinical, machine-like character. This way, decoration and much room
for figurative art in an expensive-looking interior were given
preference. This development continued in the thirties. The parameters
of luxury and comfort remained clear in this view as well: in this
modern variant the interiors kept their luxurious, monumental character
and also showed it in the details in expensive materials, in the
colours applied and often in the classical-looking articulation of
walls and ceilings.
|
|
|
|
Startpagina KunstWinkel
Inquiries/Orders
Alle afbeeldingen zijn
onvervreemdbaar eigendom van de kunstenaars en mogen niet zonder toestemming worden
gebruikt. Alle prijzen zijn exl. handling- en verzendkosten.© 1999 website made with Homesite. Last
update: november 2011